Je hoeft niet ver te reizen om mooie dingen te zien!

Soms hoef je niet een hele grote reis te maken om op een buitenlandse bestemming te komen waar heel veel te zien valt op het gebied van kunst en cultuur. Zoiets maakte ik namelijk dit weekend weer eens mee, want toen reisde ik in iets meer dan een uur tijd naar de Duitse stad Essen. Alhoewel ik deze plaats in de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen in het verleden al vele malen had bezocht, was het al weer enige jaren geleden dat ik voor het laatst in Essen was geweest, dus het werd weer eens tijd om hier naar toe te gaan. Te meer omdat we volgende maand tijdens een bijzondere driedaagse KUNSTSTAD-reis deze stad ook zullen aandoen. 

Dit keer besloot ik niet met de auto naar Essen af te reizen maar met de trein. De ICE, dat is de naam van de extra snelle Duitse trein, bracht me zogezegd vliegensvlug naar deze echte KUNSTSTAD. Het gros van de mensen denkt bij Essen eigenlijk direct aan een grauwe industriestad in het zogenoemde ‘Ruhrgebied’, echter niets is minder waar. De meeste industrie in Essen is inmiddels verdwenen en heeft plaats gemaakt voor veel interessante bezienswaardigheden waarvan een substantieel deel aan die industrietijd doen herinneren en die absoluut de moeite waard is om te bezoeken. 


Tijdens mijn wandeling van het treinstation naar mijn hotel passeerde ik allereerst het opvallende Aalto Musiktheater, dat de architectuurliefhebbers eigenlijk niet tijdens een bezoek aan Essen mogen overslaan. Zoals de naam al doet vermoeden is het bouwwerk ontworpen door de beroemde Finse architect Alvar Aalto. Hij ontwierp het muziekgebouw in 1959 maar pas na zijn dood werd met de bouw begonnen en het werd uiteindelijk voltooid in 1988. 

Direct naast het Aalto Theater staat in een parkachtige omgeving de Saalbau, dit concertgebouw van Essen word ook wel de ‘Philharmonie Essen’ genoemd omdat dit toonaangevend orkest zijn hoofdzetel in dit imposante stukje architectuur heeft. Het was slecht een korte wandeling want toen ik vervolgens schuin de straat overstak was ik bij mijn mooie viersterrenhotel. 

In dit hotel heb ik wel vaker gelogeerd en dat deed ik toen niet alleen omdat het een uitstekend hotel is, maar ook omdat het praktisch naast het Folkwangmuseum is gelegen en dat is lekker handig voor mij als kunstminnaar, ik hoef dan niet veel moeite te doen om de schitterende kunstcollectie van Essen te bekijken.


Nadat ik me in mijn hotelkamer had geïnstalleerd besloot ik kort daarna naar het genoemde Folkwangmuseum te gaan. 

Dit museum in Essen heeft een indrukwekkende collectie die begint met schilderijen uit de periode van de Duitse Romantiek, waaronder werken van Caspar David Friedrich waar ‘Vrouw voor Ondergaande Zon’ mij telkens zeer aanspreekt. Daarna word je zaal voor zaal meegenomen door de kunstgeschiedenis van de Klassiek Moderne Kunst. Zo hangt er bijvoorbeeld in de volgende ruimte die je betreedt een monumentaal doek van Eduard Manet waarop de operazanger Jean Baptiste Faure als Hamlet te zien is. Ook Vincent van Gogh is met een aantal fraaie doeken vertegenwoordigd, met als hoogtepunt het portret van de zoon van de postbode uit Arles ‘Armand Roulin’. 

Ik kan trouwens nog wel een tijdje doorgaan met het opnoemen van beroemde namen die in het Folkwangmuseum vertegenwoordigd zijn zoals Paul Gauguin, Paula Modersohn-Becker, August Macke, Franz Marc en nog veel en veel meer bekende meesters. 


De werken hangen trouwens prachtig in het nieuwbouwgedeelte van het museum dat ontworpen is door de David Chipperfield. Deze gerenommeerde Britse architect heeft naam en faam gemaakt als het gaat om museumarchitectuur, want zo is hij ook verantwoordelijk voor de grondige renovatie c.q. herbouw van het Neues Museum in Berlijn.

De volgende dag van mijn verblijf in Essen stond in het teken van het zogenoemde industriële verleden van het gebied dat nu voor een groot deel tot het UNESCO-werelderfgoed behoort. Aan de rand van de stad bevindt zich het voormalige kolenmijn- en industriecomplex Zeche Zollverein. Alle activiteiten rond de steenkolenwinning en de industrie die ooit bij de grootste steenkolenmijn ter wereld hoorden werden in 1986 stopgezet en sindsdien is het terrein een belangrijke trekpleister waar allerlei bijzondere dingen te bewonderen zijn. Het meest in het oogspringend is de dubbele schachttoren, die als lift dienst deed. Dit rooie gevaarte is tegenwoordig het bekendste herkenningsteken van het 'Ruhrgebied' en is een symbool voor de industriële cultuur van een hele regio. Als je wilt kun je uren over het terrein struinen en je verbazen over de grootte van het complex en daarbij is de architectuur van het Zeche Zollverein zeer bijzonder.

Een groot deel van de gewonnen steenkolen uit de genoemde mijnenstelsel werd gebruikt voor het opstoken van de hoogovens van het vermaarde staalbedrijf Krupp dat eveneens in Essen gezeteld was. 


Van vader op zoon werd het familiebedrijf decennia lang geleid en maakte van het geslacht Krupp zo’n voorname rijke familie dat ze een bijpassend landhuis in 1870 aan de rand van de stad lieten bouwen met de naam Villa Hügel

De villa lijkt meer een koninklijk paleis en heeft 269 ruimtes en ligt in een 28 hectare groot park op een prominente plek op een heuvel in het Ruhrdal en aan de Baldeneysee.

De laatste telg uit de Krupp-dynastie is kort na de oorlog overleden en sinds 1955 mag het grote publiek eendeel  van Villa Hügel bezoeken en dat deed ik uiteraard afgelopen zondag ook. 

Alle genoemde bijzondere zaken die ik tijdens deze Travel Tales noem gaan we natuurlijk ook bekijken tijdens de driedaagse reis “IJsselvalei, Essen en Insel Hombroich”. Ik kijk er nu al naar uit alle deelnemers kennis te laten maken met dit mooie.  

 

Marcel  Verhoeven, Stedenkenner 

verhoeven@kunststad.nl

 

Mocht u zich nog niet voor de driedaagse kunstreis hebben aangemeld maar toch mee willen dan kan dat nog van 8 t/m 10 september want er zijn voor die reisdatum nog enkele plaatsen beschikbaar (klik hier voor meer informatie).