Hé, kom je bij ons binnen?!

Voor de Hema in Amsterdam verkoopt men 'groene stroom'.
Voor de Hema in Amsterdam verkoopt men 'groene stroom'.

Weet je wat ‘proppers’ zijn? Ik maakte jaren geleden voor de allereerste keer kennis met ze toen ik eens in Brussel door het bekende Beenhouwersstraatje liep. In dit karakteristieke straatje midden in het oude centrum van de Belgische hoofdstad zitten vele restaurants. Opdringerig duwden talloze medewerkers van de verschillende restaurants  een menukaart onder mijn neus om mij met ‘lichte dwang’ te verleiden bij hun restaurant te komen eten. Toen ik daar niet direct op reageerde kwamen ze met allerlei argumenten aan waarom ik toch echt bij hen naar binnen moest komen en dat zij echt de beste steak, pizza of mosselen in de stad hadden. Ik maakte op dat moment voor het eerst kennis met de zogenaamde ‘propper,’ zoals deze levende en zeurende uithangborden worden genoemd.

Het proppen is trouwens een wijdverspreid fenomeen en kom je overal te wereld tegen, met name in toeristische gebieden. Het woord ‘proppen’ komt overigens van het Engelse woord promotor. In vakantieoorden met veel uitgaansgelegenheden is het werven van klanten door middel van het uitdelen van flyers en het één-op-één aanspreken van potentiële klanten al heel lang ingeburgerd. Goed uitziende jongelui struinen over het strand en de boulevard naar klandizie voor de discotheek of bar waar ze voor werken. Ze promoten op deze manier hun zaak en als het op een professionele en beschaafde manier gebeurd dan is er voor zowel de klant als het restaurant een voordeel te behalen. Als vakantieganger wordt je op de hoogte gesteld van de mogelijkheden die je hebt om uit te gaan en vaak krijg je met een flyer in je hand nog een gratis drankje ook.

Maar het fenomeen proppen heeft inmiddels veel grotere proporties aangenomen, waar ik zo mijn bedenkingen over heb. Zo was ik bijvoorbeeld een aantal maanden geleden in Istanbul op zoek naar een geschikt restaurant om met de groep van KUNSTSTAD een paar dagen later gezellig te gaan dineren.

Na wat onderzoek in reisgidsen en op internet vond ik een zeer interessant restaurant, dat ook nog eens mooi gelegen was namelijk bovenop de historische restanten van het Byzantijnse paleis van Keizer Justianus. De archeologische restanten konden tijdens het diner exclusief door de restaurantgasten bezocht worden en dit was één van de redenen om hier naar toe te gaan. Maar later kwam ik erachter dat er nog een reden was om dit restaurant te bezoeken.

In de straat waar deze horeca zaak gelegen is zitten meerdere restaurants en tijdens mijn zoektocht naar de betreffende plek werd ik voortdurend overal door ‘proppers’ bijna letterlijk naar binnen getrokken. Ik kreeg eigenlijk helemaal geen kans om rustig rond te kijken en om me gemakt te bedenken waar ik moest zijn. Totdat ik bijna aan het einde van deze straat met agressieve proppers aankwam. Daar zag ik nog een gezellig uitziend, rustig terras waar geen ober stond te schreeuwen of ik binnen wilde komen. Ik dacht daar ga ik zitten en heerlijk wat een rust! Op dit terras even geen ‘geprop’, geen mijnheer die achter me aan kwam lopen, nee gewoon een terras waar ik rustig kon gaan zitten. Wat mij op dit terras ook opviel was dat er op een bordje in het Engels stond geschreven ‘no hustling’. Het restaurant kondigde dus aan dat ze expres niet aan ‘proppen’ deden en dat maakte voor mij deze plek een verademing en ik vond het restaurant ook meteen een stuk sympathieker.

En wat bleek? Dit was ook nog eens het restaurant waar ik naar op zoek was. Mijn keuze bleek dus perfect en we hebben een aantal dagen later een zeer geslaagd en smakelijk diner daar genuttigd.

Dichter bij huis, namelijk in Amsterdam, hebben we ook te maken met vervelende proppers. Je vindt ze uiteraard op de plekken waar veel toeristen komen en dan moet je denken aan bijvoorbeeld het gebied rondom het Leidseplein. Opdringerigere types staan buiten op straat opgesteld om de voorbijgangers zowat letterlijk aan hun jas naar binnen te trekken. Het blijkt uit krantenberichten zelfs dat de proppers onderling vaak ruzie maken om wie de klant naar binnen krijgt, soms tot vechtends toe, en ook dat ze vaak woordenwisselingen met passanten hebben die niet op hun agressieve avances ingaan.

Proppen is in Amsterdam overigens wettelijk verboden, de Algemene Plaatselijke Politieverordening meldt dat het niet toegestaan is om op de openbare weg klanten te werven, of het nu voor een rondvaart, een café of een restaurant is, maar het is echter lastig te handhaven en het proppen wordt daarom, hoe vervelend ook, oogluikend toegestaan.

Ik probeer tijdens mijn reizen zoveel mogelijk de buurten te mijden waar deze proppers zich ophouden, ook om niet in de tourist traps terecht te komen en, zoals ik verleden week al schreef, daarom authentieke niet toeristische plekjes uit te zoeken.

Maar wat blijkt nu, het proppen heeft zich verplaatst naar andere facetten van de hospitality en zelfs naar de culturele sector.

Een aantal weken geleden bracht ik een bezoek aan het Stedelijk Museum in Amsterdam. Toen ik in de ruime entreehal van het museum binnenkwam werd ik aangesproken door een net uitziende jongeman. Ik werd keurig door hem welkom geheten en er werd vervolgens een gesprekje met mij gevoerd; hij bleek van de bankgiroloterij te zijn. Er werd mij gevraagd of ik al lid was van deze loterij en of ik anders niet wilde meespelen? Ik hou helemaal niet van lotterijen en/of gokken en, hoe goed bedoeld ook, ik wil niet bij een bezoek aan een museum hierover aangesproken worden, ook niet als het zogenaamd voor een goed doel is. Ik zou me bijna achteraf in het museum schuldig moeten gaan voelen dat ik afwijzend heb gereageerd op het verzoek. Door mij kunnen nu bepaalde schilderijen niet gerestaureerd worden? Of kunnen kansarmen nu niet naar het museum? Of loop ik het nu zelf het winnen van honderdduizend euro mis? Kortom talloze vragen dwalen in mijn gedachten rond terwijl ik naar een werk van Mondriaan kijk.

Niet alleen bij culturele instellingen doet men tegenwoordig aan dit soort colportage voor allerlei zaken. Laatst in Amsterdam liep ik naar de Hema en zag ik ze al van verre. Ik had een beetje haast en er geen behoefte aan om iets aangesmeerd te krijgen. Ik versnelde mijn pas en keek de andere richting op. Het hielp echter allemaal niets en nog voordat ik de Hema bereikte kreeg ik al een ‘Parool’ in mijn handen geduwd. Ik wist met moeite het meisje af te wimpelen (“u mag de krant hebben als u een proefabonnement voor drie maanden neemt”), maar nog geen paar passen verder werd ik staande gehouden door een werkstudent met de vraag of ik wist wat groene stroom was. Ook de jongen die deze ongevraagde colportage verrichte schudde ik af en ik manoeuvreerde mij behendig langs weer een andere jongeman die voor één of ander goed doel donateurs zocht. Ook hem probeerde ik, net als het schuldgevoel dat boven kwam drijven, te negeren. Pff…ik had het gehaald, ik was voorbij deze proppende obstakels, ik was binnen in de Hema en kon mijn boodschappenlijstje te voorschijn halen.

Ik begrijp dat restaurant, goede doelen, kranten, energieleveranciers en dergelijke allemaal op zoek zijn naar nieuwe klanten. Ik pleit er echter nu toch langzaam voor om hiervoor andere kanalen te gebruiken en museumbezoekers en voorbijgangers op straat met rust te laten. Denk jij er ook zo over?


Judith de Groot

Hospitalitykenner