di
22
jan
2013
Vandaag wil ik weer even verder gaan met de vraagstukken die bestaan rond de piramides. Je denkt vaak direct aan de drie grote piramides van Gizeh gelegen nabij Cairo. Wellicht is het bekend dat er in Egypte nog tientallen kleinere en grotere piramides te vinden zijn.
Maar wist u dat er wereldwijd op grote schaal piramides uit een ver verleden te vinden zijn?
Zo staan er in China circa 100 piramides, waarbij de Grote Witte Piramide in het Qin Ling Shan-gebergte de meest opmerkelijke is. Helaas mogen deze piramides door de Chinese overheid niet bezocht en onderzocht worden. Dit maakt deze piramides nog mysterieuzer. We bezitten wel een luchtfoto gemaakt door een Amerikaanse piloot uit 1945 en deze afbeelding laat inderdaad duidelijk een piramide zien.
In Midden-Amerika bevinden zich ook oude Piramides waarbij El Castillo (de Piramide van Kukulcán), in Mexico een bijzonder voorbeeld is.
Zelfs in Europa bevinden zich eeuwen oude Piramides, waaronder bijvoorbeeld in Griekenland, die zelfs ouder zijn dan die uit Egypte. Deze zijn dus meer dan vier en half duizend jaar geleden geconstrueerd. Op het Spaanse eiland Tenerife in de Atlantische Oceaan zijn enkele trappiramides gevonden waarvan men de oorsprong niet kent.
Men beweert sinds kort dat een berg genaamd Visočica in Bosnië, met een opmerkelijke vorm, in feite een hele oude piramide is. Er zijn door mensenhanden gemaakte fundamenten gevonden bij deze piramidevormige heuvel op de Balkan en er zijn tevens enkele gangen door deze kunstmatige heuvel heen gemaakt.
De vraag is nu of al deze piramides die verspreid liggen over de hele wereld met elkaar in verband staan en stonden. Een feitelijke constatering is dat ze allemaal heel erg oud zijn en dat ze allemaal een overeenkomstige vorm hebben.
Vele vragen worden dus opgeroepen door deze piramides, wat het hele vraagstuk rond deze bouwwerken nog mysterieuzer maakt.
ma
21
jan
2013
Gisteren schreef ik over het mysterie van de oorsprong van de Egyptische piramides. Graag zet ik mijn verwondering betreffende deze beroemde culturele erfgoederen voort, want er blijken nog
veel meer wonderbaarlijke, mysterieuze zaken met betrekking tot de piramides te zijn waarop de huidige wetenschap geen sluitend antwoord heeft.
De stenen van de bekleding zijn zo precies ‘gezaagd’ dat er geen speelkaart tussen te krijgen is. Normaliter, wanneer je bij een gewone zaagsnede twee stenen op elkaar legt, blijft er een
voeg over van minimaal enige millimeters. Hoe kan dit? Hebben de makers gebruik gemaakt van andere zaagtechnieken? Dit resultaat zou bijvoorbeeld door lasertechnieken geëvenaard kunnen worden,
maar daar beschikten de ‘primitieve’ Egyptenaren niet over.
En dan tenslotte de stand van de vier hoeken van de piramides: elke hoek staat zeer nauwkeurig op de noord-, zuid-, oost-en west-as. Deze exactheid kan men onmogelijk met een timmermansoog
ter plekke tijdens de bouw voor elkaar hebben gekregen. Tegenwoordig kijk ik wel eens op ‘google-earth’, waarbij wij, het grote publiek, vanachter het computerscherm
kennis kunnen nemen van alle details van de aarde gefotografeerd vanuit de satellieten. Het lijkt erop dat de bouwers van de piramides minimaal ook van deze technieken gebruik hebben moeten
kunnen maken.
U merkt al, dit is nog slechts een begin van de raadsels betreffende de oude bouwkunst. Ik kom hier graag binnenkort nog eens op terug.
zo
20
jan
2013
Telkens als ik afbeeldingen zie van de Egyptische piramides ben ik weer verwonderd. Wat zijn ze prchtig en wat zijn ze kolossaal. Maar wat roepen deze enorme bouwwerken bij mij ook al jaren immens veel vragen op. Vragen die trouwens door de huidige stand van wetenschap niet goed beantwoord kunnen worden. Volgens de officiële (kunst)boeken zijn deze oude, vermoedelijk religieuze, bouwwerken zo’n 2500 voor Christus door de eerste echte menselijke beschaving gebouwd, namelijk door de oude Egyptenaren. Heel knap trouwens als je je realiseert dat deze oude Egyptenaren ‘net’ uit de Prehistorie stapten en vrij vlot al in staat waren om één van de meest magnifieke bouwwerken ter aarde te bouwen. Ergens schreef ooit eens iemand dat als je onze beschaving vergelijkt met een mensenleven, de Egyptenaren dan aan het begin van dit spreekwoordelijke mensenleven staan en dan is het alsof een peuter een Rolls Royce heeft gemaakt.
Op alle fronten zijn de piramides overdrachtelijk te vergelijking met een geavanceerd product zoals de genoemde luxe auto. Zo zijn ze qua bouwvolume zo enorm groot dat de Sint Pieterskerk in Rome die, zoals u wellicht weet, al enorm in omvang is, vier keer in de grootste Piramide zou passen. Qua hoogte verdwijnen de torenspitsen van de Dom in Keulen gemakkelijk onder de genoemde piramide van Cheops. Daarbij komt nog eens dat het geen ‘holle’ bouweenheden zijn, maar ze bijna geheel massief zijn. Waar haalden de ‘primitieve’ Egyptenaren 4500 jaar geleden zoveel bouwmaterialen vandaan en hoe waren ze in staat om in vrij korte tijd dit bouwwerk in elkaar te zetten? De grote piramide bestaat uit 2,3 miljoen steenblokken, 6,5 miljard kilo in totaal!
Een bijna niet voor te stellen theorie is dat zij op een vrij onbeholpen manier door middel van pure mankracht de blokken al duwend over hellingbanen in deze perfecte driehoekige piramidevorm
brachten. Een voor mij onvoorstelbare gedachte. Met onze huidige moderne hydraulische machines zouden wij vandaag niet in staat zijn deze piramides te bouwen en toch blijft een zeer grote groep
mensen de bovenstaande theorie, dat ze met handkracht (van slaven) tot stand zijn gebracht, aanhangen. Wonderbaarlijk!
Ontegenzeggelijk kunnen we toch stellen dat de oorsprong van de piramides in Egypte vele vragen oproept.
za
19
jan
2013
Graag ga ik nog even door, zoals beloofd, op het markante hoofddeksel van Jan Klaassen.
Ik durfde te beweren dat de muts van Jan eigenlijk een historische Frygische muts was. Een frygische muts is een zacht kegelvormig hoofddeksel waarvan de top naar voren wijst en weer naar beneden valt. Deze muts, die meer dan 2500 jaar oud is, werd oorspronkelijk gedragen in Frygië, een streek in de oudheid ergens in Klein-Azië. Later werd deze muts populair bij de Perzen en de Perzische God Mithras droeg er ook één. Nog een stukje later in de tijd werd deze god Mithras weer populair in heel het Romeinse Rijk en werden er overal heiligdommen voor deze god met de frygische muts gebouwd.
Een frygische muts stond in eerste instantie bij de oude Grieken symbool voor mensen die niet Grieks waren oftewel het was het hoofddeksel van de barbaren. In het latere Romeinse Rijk gingen vrijgelaten slaven dit leuke mutsje dragen en werd het een symbool voor de vrijheid. Vervolgens zien we in de geschiedenis dat verschillende vrijheidstrijders zich weer tooien met dit inmiddels beroemde ding. Zo werd hij gedragen tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidoorlog en ook tijdens de franse Revolutie. De frygische muts is vandaag de dag nog steeds het nationale symbool van Frankrijk en hun heldin Marianne, u weet wel van ‘Hop Marjanneke, stroop in het Kanneke’, wordt meestal met deze muts afgebeeld. Dit is bijvoorbeeld te zien als Marianne het volk leidt op het schilderij van Eugène Delacroix.
En dan is er ook nog de Franse striptekenaar Peyo, die zijn stripcreatie de smurfen allemaal witte frygische mutsjes heeft gegeven.
Er blijft nog één leuke gedachte met betrekking tot dit hoofddeksel over en dat is de gedachte dat niet alleen de muts van Jan Klaassen maar ook de mijter van onze Sint Nicolaas zijn afgeleid van de frygische muts. Één ding is wel zeker, zowel sint Nicolaas, Jan Klaassen als de smurfen zijn echte helden voor jong en oud.
Zo zie je maar weer, zelfs een simpel mutsje kan een heel mysterie oproepen.
vr
18
jan
2013
Gisteren beschreef ik twee historische volksfiguren uit de 17de eeuw die waarschijnlijk model hebben gestaan voor de beroemde poppenkastfiguur Jan Klaassen.
Als poppenkastpop wordt Jan uitgebeeld met een grote rode drankneus en een bont gekleurd pak aan. Op zijn hoofd heeft hij een muts waarbij de punt naar voren valt en waar vaak een belletje op
zit. Het lijkt wel op een frygische muts, waarover ik in een ander mysterieverhaal nog wel eens meer over de oorsprong zal schrijven.
Jan Klaassen heeft veel weg van de Italiaanse clowneske figuur Pulcinella, die ook al zo’n rare snavelvormige neus heeft. Pulcinella is een figuur uit de commedia
dell’arte. Het is een soort Tijl Uilenspiegelachtig persoon, vol met fantasie, net als Jan Klaassen. Pucinella haalt echter uit elke situatie iets waardevols. Ook al zit hij diep
in de put dan vindt hij dat nog bijzonder omdat hij dan de wereld eens op die manier kan bezien.
Je zou kunnen zeggen dat Pulcinella dus eigenlijk de stamvader van Jan Klaassen is. Jan is weliswaar een beetje een dommig persoon, maar heeft ook een gouden hart en zorgt er tevens voor dat men weer vrolijk wordt.
Je ziet trouwens in verschillende landen varianten van onze Jan Klaassen en Katrijn. In Engeland heet het poppenkastechtpaar Punch en Judy en zij zorgen daar voor vermaak van groot en klein. In Antwerpen spreekt men over ‘Poesje’ als historisch figuur uit het poppentheater. "Poesje" is overigens een verbastering van het woord poesjenel van de Italiaanse Pulcinella.
Groot was altijd mijn vreugde wanneer ik als kind naar de Dam in Amsterdam ging en daar de poppenkast stond. Jan Klaassen vroeg dan vanuit de poppenkast of wij hem konden roepen als we ‘Pierlala’zouden zien en wij kinderen maar tevergeefs schreeuwen als we deze figuur zagen. De witte verschijning van Pierlala stond voor de dood en alleen Jan Klaassen kan die tot de dag van vandaag bedwingen.
do
17
jan
2013
Gisterenavond fietste ik door de beroemde Amsterdamse wijk De Jordaan en ik moest opeens denken aan de poppenkastfiguur Jan Klaassen die, zo wordt verteld, uit deze wijk komt. Heeft Jan Klaassen echt bestaan?
De Jordaan kenmerkt zich door kleine smalle huisjes en vroeger, heel anders dan nu, was hier de arme bevolking van de hoofdstad gehuisvest. Zo woonde in deze Amsterdamse Jordaan eind 17de eeuw een markant echtpaar. Hij heette Jan Klaassen en kwam uit de Anjeliertraat. Zij had officieel de naam Catharina Pieters, maar men noemde haar Katrijn.
Volgens de archiefstukken zijn Jan Klaassen en Katrijn Pieters in 1686 getrouwd in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Katrijn en Jan bleken veel te drinken en Jan hield niet echt van hard werken. Katrijn en Jan maakten ook veel ruzie samen en hun wangedrag noopte het kerkbestuur op een gegeven moment zelfs tot ingrijpen. Kortom, een koppel waar leuke verhalen over te vertellen vielen.
Daarnaast is er ook een ander relaas dat gaat over een militair, genaamd Jan Klaasen, die trompet speelde in het leger van prins Frederik Hendrik. Toen Frederik Hendrik in 1652 overleed werden
alle soldaten ontslagen en Jan Klaassen, de trompetter, vestigde zich in Amsterdam en besloot daar zijn kost te verdienen door het geven van voorstellingen met poppen in een poppenkast. Eeuwen
later maakten Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot een lied over deze‘Trompetter, uit het leger van een prins’ en hier scoorde Rob de Nijs in 1973 een gigantische hit mee.
De combinatie van deze twee oude historische Jan Klaassenfiguren resulteerde uiteindelijk met grote waarschijnlijkheid in de poppenkastpop Jan Klaassen.
zo
13
jan
2013
Als een vervolg op mijn column over de kale Fransen (zoals bezongen in het kinderliedje van ‘Hop Marjanneke’) bestaat er ook een uitdrukking in het Vlaams waarbij haargroei en de Franse taal
juist met elkaar verbonden worden. Men kent in België namelijk de term ‘Frans met haar (er)op’. De Vlamingen hebben het dan over Nederlandstaligen die slecht en onjuist Frans spreken. Je moet dan
aan zinsconstructies denken als‘Snappez vous’ (begrijp je het),‘donne la pipe de Martin (de pijp aan Maarten geven), of ‘Je marche contre la Lampe’(ik
loop tegen de lamp). Voor een Nederlander klinken deze zinnen allemaal goed Frans, maar dat is het niet.
Je zou dit soort Frans ook wel steenkolenfrans kunnen noemen, vergelijkbaar met de uitdrukking steenkolenengels dat eveneens staat voor het zeer slecht
spreken van de Engelse taal.
Voor mij was de oorsprong van de term steenkolenengels altijd een mysterie, maar het blijkt dat het daadwerkelijk een link heeft met steenkool. De
naam steenkolenengels is meer dan 100 jaar geleden ontstaan in de Hollandse havens waar de Nederlandse havenarbeiders zo goed en zo kwaad als het ging met de Engelse bemanning
van de steenkoolvrachtschepen probeerden te praten, terwijl ze de Engelse taal eigenlijk niet machtig waren. Deze situatie leverde onder andere nieuwe uitdrukkingen in het Nederlands op zoals het
scheepscommando ‘Alle hens aan dek’. Dit is een verbastering van het Engelse commando ‘All hands on deck’. Als je het uit het Engels vertaalt begrijp je dat de gehele bemanning van het schip aan
dek moet verschijnen.
En zelfs het onschuldige scheldwoord ‘halve zool’ blijkt terug te voeren zijn op het veel vulgairdere Engelse scheldwoord ‘arsehole’.
Tegenwoordig merk ik dat veel Nederlanders er van overtuigd zijn dat ze zeer goed Engels spreken, maar het valt me op dat men vaak de grammatica niet goed beheerst, dat men een te beperkte vocabulaire heeft en dat daarbij ook de uitspraak veelvuldig niet juist is. Kortom; je kunt concluderen dat de gemiddelde Nederlander prima steenkolenengels spreekt.
Het Engelse woord voor steenkolenengels is Dunglish, dit is een samentrekking van de woorden Dutch en English. Er is zelfs een grappige website waarop vreemde termen die Nederlanders voor het
Engelse begrippen gebruiken staan beschreven: www.dunglish.nl
Wij Nederlanders zijn zelfs in staat om van het Engels of het Frans mysterieuze talen te maken!
za
12
jan
2013
Gisteren schreef ik over het militaire propagandaliedje Yankee Doodle dat de Britse troepen zongen toen zij ten strijden trokken tegen de in hun ogen sjofel geklede Amerikaanse
vrijheidsstrijders. In Nederland hadden we aan het eind van de 18de eeuw een vergelijkbaar liedje dat de Nederlandse soldaten zongen over de Franse troepen van Napoleon die Nederland
bezet hielden.
Het liedje is tegenwoordig bekend als kinderliedje en het eerste deel gaat als volgt:
Hop Marjanneke, stroop in het kanneke
laat de poppetjes dansen
eertijds was de prins in het land
en nu die kale Fransen.
De tekst heeft een mysterieuze inhoud en had eigenlijk een politieke lading, dus was in eerste instantie niet voor kinderen bedoeld. Het liedje werd gezongen ten tijden van de Bataafse Republiek, rond 1795.
Wie Marjanneke is, plaatsend in de tijd, is niet zo moeilijk te verklaren; zij was een verwijzing naar de Franse maagd Marianne die als symbool van Frankrijk menig plein in Frankrijk siert. De poppetjes zijn de Franse soldaten. De prins is de stadhouder Willem V, die voordat de Fransen kwamen aan de macht was, maar zijn toevlucht in Engeland had gezocht.
Maar dan die laatste zin die enige verbazing op roept, want hadden de Fransen zo weinig haar? Deze verklaring zou wat te ver gaan, men bedoelde meer dat de Franse soldaten die in Nederland gestationeerd werden zo armtierig waren. Hun kleding was oud, vaal en slonzig, dus vaal en kaal. Het woord kaal kan ook slaan op het feit dat ze geen pruik (meer) op hadden wat voor de Franse revolutie nog zo gebruikelijk was.
Weer een klein historisch mysterie verklaard!
vr
11
jan
2013
Gisteren schreef ik over Jan en Kees die uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor het Amerikaanse woord Yankees. Als ik het woord hoor moet ik ook altijd denken aan het beroemde
Amerikaanse volkswijsje ‘Yankee Doodle’, dat vervolgens voortdurend in je hoofd blijft klinken.
Het liedje heeft als couplet:
Yankee Doodle came to town
Riding on a pony;
He stuck a feather in his hat,
And called it Macaroni
Misschien vraag je af wie Yankee Doodle was. Yankee verwijst zoals we weten naar een persoon afkomstig uit de omgeving van het huidige New York (het toenmalige Nieuw Amsterdam). Het woordjeDoodle komt uit het Nederduits of Nedersaksische en dit is het dialect wat ondermeer in het oosten van Nederland wordt gesproken zoals in de Achterhoek en Twente. Men typeerde met ‘dudel’ iemand die gek of dwaas was, denk maar aan onze uitdrukking ‘een Jan Doedel’.
En oké dan komt deze sukkelige dwaze Yankee op een pony naar de stad. Bij de derde zangregel zingt men dat hij een veer in zijn hoed doet en hij noemt dat Macaroni. Vreemd en mysterieus liedje als je zingt over een veer op je hoed en dat dan vervolgens een bekend pastagerecht uit Italië noemt.
Het liedje werd voor het eerst gezongen in de 18de eeuw door de Britse koloniale troepen om de naar vrijheid strevende Amerikanen belachelijk te maken. De Amerikanen, inmiddels dan al bekend alsYankees, worden door de Britse propaganda weggezet als ongemanierd en onbeschaafd. De Britse soldaten waren ordentelijk in uniform gekleed, terwijl de Amerikaanse troepen er maar een beetje slonzig bij liepen. De Britten zongen dat als deze Yankees met hun aftandse kledij een veer in hun hoed staken ze zich zelf al verfijnd vonden en ze helemaal met de mode meededen. Ze noemde dat zelf ‘macaroni’…..
Maar wat bedoelden die Britten in godsnaam met macaroni? Het woord macaroni werd in de 18de eeuw opeens gebruikt door jonge rijke mannen die een Grand Tour hadden gedaan (een reis
naar onder meer naar Italië). Zij gedroegen en kleedden zich anders en bezigden nieuwe woorden die ze bijvoorbeeld in Rome of Florence hadden opgepikt. Deze dandyachtige jongelui, ook wel
gekscherend de ‘Macaroni Club’ genoemd, werden door het Engelse volk belachelijk gemaakt.
In één moeite door werden de Yankees dus vergeleken met de pruikdragende rijke jongens waarvan de conservatieve Engelse niet zo’n hoge pet van op hadden.
De Amerikanen trokken zich van deze tekst niet zo veel aan en na de Amerikaanse onafhankelijkheid adopteren zij het liedje zelfs (met enige wijzigingen in de tekst) en zingen het tot de dag van vandaag.
do
10
jan
2013
Als ik in Nederlandse krantenartikelen wel eens het woord Yankees lees om Amerikanen mee aan te duiden dan moet ik er altijd aan denken dat we dan eigenlijk ons zelf bedoelen.
De oorsprong van het woordYankees is waarschijnlijk gebaseerd op de historische bewoners van het eiland Manhattan. Op 24 mei 1628 kocht Peter Minuit namens de Nederlanders het eiland Manhattan van de Indianen. Het hele gebied inclusief Manhattan (onderdeel van het huidige New York) werd Nieuw Amsterdam genoemd. Nieuw Amsterdam kreeg stadsrechten in 1653 en groeide uit tot de grootste Nederlandse koloniale nederzetting in Noord-Amerika. Het bleef in Nederlandse handen tot en met 1674 en toen werd het hele gebied, na wat strijd, aan Engeland afgestaan.
De Britse kolonisten troffen, na de overname van Manhattan, de inwoners van de voormalige Nederlandse nederzetting aan en hoorden dat de mannen veelal de voornaam Jan en Kees hadden. De Britten combineerden deze namen tot een nieuw begrip en noemden deze Nederlanders, de Jan-Kezen oftewel in het Engels verbasterd tot de Yankees !
Yankees was dus min of meer een soort scheldnaam voor de Nederlanders op Manhattan. In de eeuwen daarna bleven de mensen uit New York en omgeving deze naam gebruiken als een soort geuzennaam waar ze trots op waren. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog noemde de Zuiderlingen, om hun vijand te typeren, alle bewoners uit alle noordelijke staten Yankees. Zo werd het een veel algemenere begrip voor een grotere groep Amerikanen.
Tegenwoordig lijkt het erop dat wij in Europa alle Amerikanen de bijnaam Yankees geven en zogezegd is dit in oorsprong niet juist, maar toch begrijpen we dat als we het over Yankees hebben dat we mensen uit de VS bedoelen.
Wellicht is nu het Mysterie van de Yankees een beetje opgelost.
di
08
jan
2013
Regelmatig sta ik met mensen voor schilderijen of standbeelden waarop naakte dames en heren staan afgebeeld. Soms trekken deze werken je aan en soms voel je je toch
een beetje ongemakellijk bij het bekijken van deze ongeklede mensen.
Er ontstond in de geschiedenis wel eens vaker beroering als een vrouw naakt was afgebeeld en voor een groot publiek getoond werd. Een beroemd voorbeeld was in de tweede helft van de
19de eeuw. De kunstenaar Eduard Manet schilderde een naakte vrouw tussen twee eigentijds geklede heren. Dit schilderij met de titel ‘Le Déjeuner sur l’Herbe’ veroorzaakte in
Parijs in 1863 een enorm schandaal.
Wat deden de heren op het schilderij eigenlijk met die naakte vrouw? En was de vrouw trouwens naakt of bloot? Je zult zeggen is er verschil tussen naakt en bloot?
Echter dit onderscheid is van groot belang of het schilderij geaccepteerd werd door het publiek of niet. Vrouwen zonder kleren worden in de gehele kunstgeschiedenis geschilderd, ook in de meest
preutse tijden. Maar dan moet ik je nog wel even kort uitleggen wat het mysterie van naakt en bloot is.
Bloot is inderdaad zonder kleren aan, gewone stervelingen zoals jij en ik als we ’s ochtends onder de douche vandaan komen. Naakt daarentegen zijn de goden en godinnen, zij hebben nooit kleding
aangehad.
Het uitbeelden van naakt in de kunst is in alle tijden geheel geaccepteerd en we kennenn dan ook prachtige uitbeeldingen van naakte Griekse en Romeinse godheden. Het uitbeelden van echte bestaande blote vrouwen, hoe mooi en kunstzinnig dit soms ook kan zijn, was in de tijd van Manet ‘not done’. Nu blijft de vraag bij ‘Le Déjeuner sur l’herbe’ of de dame geaccepteerd naakt is of verfoeilijk bloot? In eerste instantie wilde Manet de suggestie wekken dat de vrouw op het schilderij een ordinaire blote prostituee voorstelde, maar jaren later ontdekte een kunsthistoricus dat de inspiratiebron van de figuren op het schilderij ondermeer een gravure van de Renaissance meester Raphael was. Op het kunstwerk van Raphael zijn goden te zien tijdens het beroemde verhaal van ‘Het Oordeel van Paris’. Er is een verbluffende gelijkenis qua compositie tussen het oude kunstwerk van Raphael en het werk van Manet. Dit zou er dus op duiden dat Manet een godin heeft willen schilderen en dan zou er geen sprake meer van een schandaal zijn. Tja, het is maar hoe je het bekijkt.
zo
06
jan
2013
Ik liep met kerst door de Gemäldegalerie in Berlijn en mijn oog viel weer eens op het portret van de 15de eeuwse Italiaans handelaar Arnolfini. Het gezicht dat geschilderd werd in 1435 door Jan van Eyck doet mij wel heel erg denken aan de Russische leider Vladimir Poetin. Toeval?
Datzelfde gevoel heb ik, en ik weet het lijkt ver gezocht, als ik in het Neues Museum, eveneens in Berlijn, de sculpturen van farao Achnaton bewonder. De Egyptische leider die bijna 3500 geleden regeerde heeft wel heel veel overeenkomstige trekken met de machtigste man van Amerika, president Obama.
Regelmatig zie ik schilderijen, sculpturen of oude foto’s en herken hedendaagse beroemdheden erin. Is er sprake van een mysterie? Zijn sommige mensen dan toch onsterfelijk? Of is het louter toevallig?
vr
04
jan
2013
Naar aanleiding van mijn verhaal van gisteren over de waardevolle schat van de Zilvervloot blijft er een nog altijd een mysterie bestaan. Eerst moeten we hiervoor terug naar de 17de eeuw; alle kostbaarheden van de Zilvervloot werden tijdens de tocht naar Amsterdam goed bewaakt en er werd goed opgelet dat niemand van de bemanning ook maar iets achterover kon drukken. Bij aankomst in Nederland werd alles in eerste instantie naar het hoofdkwartier van de WIC in het West-Indisch Huis in Amsterdam gebracht en in de kelders aldaar opgeslagen. Natuurlijk kreeg een aantal belanghebbenden hun deel, maar er werd niet massaal spreekwoordelijk ‘voor sinterklaas gespeeld’. Piet Hein kreeg ‘slechts’ 7000 gulden voor de moeite en de leden van zijn bemanning ieder 200 gulden, dat was ongeveer 17 maanden extra gage. Één van de kapiteins, Witte de With, vond zelfs openlijk dat hij veel te weinig had gekregen voor de heldhaftige daad die hij had uitgevoerd. Alhoewel de matrozen die meegeholpen hadden met de verovering van de Zilvervloot extra gage hadden ontvangen probeerden zij toch in 1629 uit onvrede over hun geringe vergoeding de buit uit het West-Indisch Huis te stelen. Dit lukte hen echter niet en de Zilvervloot bleef veilig op zijn plaats liggen.
Ondanks het feit dat men dus maar mondjesmaat stukjes van de Zilvervloot aan het uitdelen was moest een klein deel van de Zilvervloot gebruikt worden om de aandeelhouders van de WIC dat jaar meer dividend uit te keren. Maar het lijkt bij nader onderzoek erop dat het aller grootse deel in het West-Indisch Huis bewaard bleef.
De persoon die daadwerkelijk mocht beslissen wat er met de kostbaarheden van de Zilvervloot moest gebeuren was de stadhouder van De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De stadhouder op dat moment was Frederik Hendrik van Oranje, zoon van Willem van Oranje. Hij had enige jaren eerder zijn halfbroer Maurits opgevolgd en leidde de vrijheidsstrijd tegen Spanje. De eerste keer dat hij waarschijnlijk een beroep deed op de rijkdommen van de Zilvervloot was voor een strijd in 1626, toen hij Den Bosch met succes veroverde. Daarna zal Frederik Hendrik nog regelmatig een beroep doen op delen van de Zilvervloot voor de verschillende veldslagen die tijdens de 80-jarige oorlog plaatsvonden. Als een jaar na de dood van stadhouder Frederik Hendrik de Vrede van Münster (1648) wordt getekend zullen vanwege de zuinige en berekende mentaliteit van de stadhouder de reserves van de Zilvervloot zeker niet verder verbruikt zijn, want ook hij zal wel gedacht hebben ‘wie wat bewaart, die heeft wat’. Er zijn overigens ook geen documenten te vinden waarin verdere uitgaven genoteerd zijn.
De vraag rijst nu ‘wat is vervolgens na de Vrede van Münster met het overgebleven deel van de Zilvervloot gebeurd en wie heeft uiteindelijk het merendeel van de Zilvervloot in handen gekregen?’ Dit zilver en goud kan niet zomaar in de eeuwen daarna ‘verdampt’ zijn en moet waarschijnlijk zelfs nu nog ergens te vinden zijn. Frappant is echter dat er voor zover ik weet geen geschreven bronnen zijn die melding maken van wat er na de dood van Frederik Hendrik met de Zilvervloot is gebeurd. Waarschijnlijk heeft zijn zoon Willem II van Oranje het geërfd. Door zijn huwelijk met Mary Stuart wordt deze stadhouder Willem II ook koning van Engeland en hoeft hij vanwege zijn zeer gunstige financiële situatie de Zilvervlootreserves niet echt aan te spreken. Dit geldt ook voor zijn zoon Willem III die als stadhouder van de Nederlanden en Koning van Engeland ook over genoeg vermogen beschikte. De Zilvervloot werd waarschijnlijk echt een soort reuze ‘spaarpotje’ voor eventueel slechtere tijden.
Zoals ik al schreef wordt er nooit meer iets van de Zilvervloot vernomen. In de kelders van het West-Indischhuis ligt het op een gegeven moment niet meer, maar ‘zo maar’ verdwenen lijkt mij onwaarschijnlijk. Goud en zilver zijn edelmetalen en kunnen de tand des tijds buitengewoon goed verdragen. Als de vele duizenden kwetsbare schilderijen uit de zeventiende eeuw nu nog in musea te bewonderen zijn dan moet het toch ook mogelijk zijn om de Zilvervloot, of althans een deel daarvan, te kunnen zien. Maar het lijkt er meer op dat de Zilvervloot bewust aan het zicht is ontrokken door invloedrijke mensen die er over konden beschikken. Waarschijnlijk heeft men de rijkdom deels anders geïnvesteerd en/of tastbare zaken van de Zilvervloot ergens anders ‘verstopt’.
De Zilvervloot staat tegenwoordig dus synoniem voor sparen en ik vermoed ook dat een (groot) deel van de 17de eeuwse zilvervloot gespaard is, alleen waar en door wie dat is een mysterie. Ik ben heel benieuwd wie mij verder kan helpen om dit mysterie te ontrafelen.
do
03
jan
2013
Halverwege de Haarlemmerstraat in Amsterdam bevindt zich het West-Indisch Huis. Als ik daar wel eens langs loop dan moet ik altijd direct denken aan de beroemde Zilvervloot. In eerste instantie krijg ik bij het woord Zilvervloot niet meteen de associatie met een beroemde historische gebeurtenis uit de 17de eeuw, maar het woord Zilvervloot roept bij mij eerder de gedachte op aan een spaarrekening uit mijn jeugd met dezelfde naam. Een overheidsregeling om de jeugd te laten sparen onder het motto ‘wie bewaart die heeft wat’. In de tweede helft van de 20ste eeuw stond het woordje Zilvervloot dus synoniem voor sparen.
Daarnaast hoor ik in mijn hoofd de eerste regel van het beroemde liedje: Heb je wel gehoord van de zilveren vloot, de zilveren vloot van Spanje? En vraag ik me af of menigeen vandaag de
dag weet wat precies de Zilvervloot is. En weten we ook wat er precies mee gebeurd is?
De Zilvervloot is in de 16de en 17de eeuw een konvooi van schepen waarmee kostbaarheden, met name zilver en goud, vanuit de Spaanse koloniën in Amerika naar Spanje vervoerd werden.
Maar in Nederland is de Zilvervloot nog veel bekender geworden door de verovering van één zo’n specifiek Spaans transport in 1628 door de zeeheld Piet Hein.
De ladingen van de verschillende Spaanse zilvervlootmissies vier eeuwen geleden waren aanzienlijk en deze moesten dan ook goed beschermd worden door zwaar bewapende soldaten, aangezien er voortdurend kapers en piraten op de loer lagen. De beveiliging van de zilvervlootschepen was zo goed dat het rovers maar zelden lukte iets buit te maken.
In Amsterdam was aan het begin van de Herengracht (nabij de huidige Haarlemmerstraat) begin 20-er jaren van de 17de eeuw de pas opgerichte West-Indische Compagnie (WIC) gevestigd. De WIC was de tegenhanger van de VOC en richtte zich niet op de handel naar Indië maar juist op handel met het westen waaronder het nieuwe Amerika. Om hun kostbare missies te financieren kwam de WIC in 1626 op het lumineuze idee om een hele Spaanse zilvervloot te laten kapen. Aangezien De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in oorlog was met Spanje, konden zij gelegitimeerd met een zogenaamde ‘Kapersbrief’ aan luitenant-admiraal Piet Hein hiervoor opdracht geven.
En het lukte Piet Hein inderdaad om tijdens de Slag in de Baai van Matanzas, nabij het eiland Cuba, de Spaanse Zilvervloot te veroveren. volgens de scheepsverslagen kwamen er bij de hele zeeslag wonderbaarlijk zowel aan Spaanse als aan Nederlandse kant geen manschappen om. En als de Zilvervloot zonder enige ‘slag of stoot’ veroverd is geworden dan is misschien de naam de Slag in de Baai van Matanzas niet zo toepasselijk voor deze historische gebeurtenis, maar dan leg ik wellicht wel op erg alle historische slakken zout.
Toch maakte Piet Hein en zijn bemanning een enorme schat buit met de verovering van de Zilvervloot; 177.000 pond zilver, 66 pond goud, circa duizend parels. Daarnaast ook 361 kisten suiker, zeer waardevolle kleurstoffen zoals indigo en karmijn en nog meer kostbaarheden, die ook een enorm deel van de waarde van deze verovering vertegenwoordigden. Het totaalbedrag bij terugkomst in Nederland was ongeveer 12 miljoen toenmalige guldens. Rekeninghoudend met inflatiecorrectie en waardetoename zou de zilvervloot nu circa 100 miljard euro waard zijn. Dus zou bijvoorbeeld Nederland op dit moment over de Zilvervloot beschikken dan zouden ze in één klap van al haar staatschulden af zijn en zouden we zelfs circa 35 miljard overschot hebben en zouden we tot het rijkste land van de 21ste eeuw horen.
Noot: In eerste instantie naar huidige waarde omgerekend zou op basis van de actuele zilverprijs de Zilvervloot nu 100 miljoen euro zijn, maar de waarde die er in die tijd met zo’n geldbedrag gedaan kon worden was vele malen groter. Je moet dus de opbrengst van toen vertalen naar onze huidige standaard. Dus wat kostten tien grachtenpanden in de 17de eeuw en wat kosten ze in de 21ste eeuw.
wo
02
jan
2013
Gisteren, op 1 januari, schreef ik over de invoering van de Gregoriaanse kalender in 1582 en het mysterie van de verdwenen 10 dagen in de geschiedenis. Vandaag voeg ik hier nog een extra mysterie aan toe, namelijk dat van de mysterieuze lijnen die door bepaalde belangrijke kerken in Europa lopen.
Om het volk te overtuigen van de waarde van de Gregoriaanse kalender en ook om de geloofwaardigheid te tonen van deze nieuwe telling begon men in opdracht van het Vaticaan in Rome met het aanleggen van meridiaanlijnen in kerken. Deze meridianen werden beschenen door zonlicht dat door een speciale opening (gnomon genoemd) aan de zuidkant van het dak van de kerk naar binnen kwam. Door de stand van de zon op de meridiaan binnen in de kerk kon men redelijk exact het tijdstip en de precieze datum bepalen. Aan de hand daarvan werd ook vastgesteld wanneer sommige feestdagen zoals Pasen dat jaar zouden plaatshebben.
Hoe hoger het dak en dus de opening voor het zonlicht des te preciezer de meting was. Kerken werden in eerste instantie voor de meridianen uitgekozen omdat dit vaak de hoogste gebouwen in de stad waren. De tweede reden waarom men voor kerken koos voor de meridianen was omdat de kerk er baat bij had om de christelijke feestdagen vast te stellen.
Tussen de 15de en de 18de eeuw werden 70 meridianen aangelegd in kerken en andere hoge gebouwen in Italië en Frankrijk. Slechts 10 daarvan hebben een opening hoger dan 10 meter en zijn dus vrij
accuraat:
In ‘De Da Vinci Code’, het beroemde boek van Dan Brown, dicht de auteur de meridiaanlijn een hele andere betekenis toe. Brown beschrijft in zijn boek dat deze lijn symbolisch staat voor de bloedlijn van Jezus Christus en zo is er weer een nieuw mysterie geboren. Over dit mysterie heb ik het wel een andere keer.
di
01
jan
2013
Met een hoop kabaal hebben we wereldwijd het nieuwe jaar weer ingeleid. Alleen al in Nederland heeft men deze jaarwisseling zo’n 70 miljoen euro aan vuurwerk afgeschoten. Voor mij blijft op deze manier de financiële crisis waar we ons in bevinden echt een mysterie.
Wat trouwens ook een mysterie is, is de vraag of we wel echt op 1 januari 2013 zijn aanbeland. We berekenen de tijd volgens de zogenaamde Gregoriaanse kalender en die heeft ooit bij zijn
invoering ergens 10 dagen ‘overgeslagen’. In 1582 werd 4 oktober namelijk gelijk gevolgd door 15 oktober en dat zou dus beteken dat als we deze Gregoriaanse kalender weer zouden afschaffen en de ooit overgeslagen dagen terug krijgen we over 10 dagen weer een feestelijk jaarwisseling voor de boeg hebben.
Het probleem met het meten van de tijd, en dus ook met het vaststellen van een goede kalender, heeft er alles mee te maken dat de aarde niet een exact aantal dagen nodig heeft om rond de zon te draaien. De aarde beweegt niet in precies 365 en ook niet exact 366 dagen om de zon, maar in 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en 45 seconden. Op basis daarvan kunnen we natuurlijk geen sluitende kalender samenstellen.
In de tijd van de Romeinse leider Julius Caesar, zo’n 2000 jaar geleden, werd het aantal dagen van het jaar afgerond naar 365 dagen en 6 uur en werd besloten om die 6 uur goed te maken door elke 4 jaar een extra dag, de zogenaamde schrikkeldag, te hanteren. Deze kalender was bekend als de Juliaanse kalender genoemd naar de beroemde keizer.
In 325 na Christus werd het Christendom in Europa langzaam de belangrijkste geloofovertuiging, met hiermee samenhangend een aantal belangrijke Christelijke feestdagen. Deze dagen stonden soms per datum vast, zoals kerstmis. Enkele feestdagen verschoven elk jaar, zoals Pasen, dat op de eerste zondag na volle maan werd vastgesteld, wat in het jaar 325 betekende dat Pasen toen op 21 maart viel.
In de 16e eeuw bleek echter dat volle maan allang niet meer op 21 maart viel, maar inmiddels 10 dagen later plaatsvond. Dit kwam zogezegd doordat de aarde dus niet in exact 365 dagen om de zon draait. Paus Gregorius besloot in 1582 om dit probleem op te lossen door deze ‘foute’ tien dagen eenmalig te laten vervallen en hierdoor werd 4 oktober gelijk gevolgd door 15 oktober 1582. Daarnaast werd besloten dat elke 400 jaar het eerste jaar van de eeuw geen schrikkeljaar zou hebben. Dit alles om uren per jaar die wij te weinig rekenen te corrigeren. De nieuwe berekening noemen we de Gregoriaanse kalender die we in Europa heden ten dage nog steeds gebruiken en die tevens de internationale standaard is.
Voor de mensen die trouwens ervan uitgingen dat de wereld zou vergaan op 21 december 2012 moeten nog even in spanning blijven, want volgens de oude Juliaanse kalender zou dat vandaag namelijk moeten gebeuren. Echte opluchting voor het uitblijven van het einde van de wereld is dus pas morgen (2 januari 2013) op zijn plaats.
do
08
mrt
2012
Van de week schreef ik over de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer (geb. 1945) die werken maakt die verwijzen naar de Duitse geschiedenis, zoals de genoemde legendarische Hermanns-Schlacht. Je wordt inderdaad bij Kiefer steeds herinnerd aan het oorlogsverleden van Duitsland. Anders is het bij zijn collega Jörg Immendorff. Immendorff studeerde ook bij Joseph Beuys op de kunstacademie in Düsseldorf. Hij is waarschijnlijk het meest beïnvloed door Beuys, want hij was overtuigt dat kunst er was voor het volk. In de jaren zestig was Immendorff een overtuigde Mao-aanhanger en gebruikte zijn politieke mening ook als onderwerp in zijn schilderijen.
Kunst hoort volgens Immendorff onder het proletariaat te verkeren. Hij zei zelfs ooit: ‘Kunst moet de functie van de aardappel overnemen’. Of hij dit standpunt tot het eind van zijn leven is blijven behouden is mij onbekend. Zijn werken in de serie ‘Café Deutschland’ uit eind jaren ’70 geven de problematiek rond het gedeelde Duitsland weer. In figuratieve expressieve schilderijen vereeuwigt hij Duitsland als een louche kroeg, waar belangrijke personen uit de politieke en culturele wereld rond de Stammtisch zitten. Het café en zelfs de stamtafel worden regelmatig op deze schilderijen gescheiden door de beruchte muur of een prikkeldraadversperring om symbolisch de tweedeling van Duitsland weer te geven.
Op verschillende schilderijen zien we een man met een baard en een uitgestoken hand door de muur. Dit is de in de DDR wonende kunstenaar A.R. Penck, waar Immendorff in 1976 bevriend mee raakte. Vanaf de jaren negentig was Immendorff een gevierde kunstenaar in Duitsland. Hij werd, net als zijn leermeester Beuys ooit was, professor op de toonaangevende kunstacademie in Düsseldorf. Door een zeldzame zenuwziekte waar Immendorff al vele jaren aan leed, overleed hij op 28 mei 2007 op 61 jarige leeftijd. Eén van zijn laatste belangrijke opdrachten was een officieel portret van oud-kanselier Gerhard Schröder.
Immendorff was best wel een beetje controversiële man. Hij wist de media te bespelen en haalde de Duitse kranten toen hij in 2000 met een dertig jaar jongere vriendin trouwde. En nog opzienbarender was een feest dat hij in 2003 in een Düsseldorfse hotelkamer gaf. Het was een wilde party met prostituees en cocaïne. Dit beeld van een stoere hedendaagse kunstenaar die zich gedroeg als een popidool volgens het principe van ‘sex, drugs en rock and roll’ was moeilijk te verenigen met de breekbare zieke man die hij aan het eind van zijn leven was.
vr
02
mrt
2012
Al eerder schreef ik over de kunstenaar met de viltenhoed, zo werd Joseph Beuys ook wel genoemd. Deze naoorlogse Duitse kunstenaar is voor Duitsland zeer belangrijk geweest, hij wist het land na het donkere nazi-verleden weer op de kunsthistorische kaart te zetten. Duitsland begon in de jaren ’60 dankzij Beuys eindelijk weer een beetje mee te tellen. Vanaf eind jaren veertig had zich het centrum van de moderne kunst namelijk verplaatst van Europa naar Amerika. Beuys, met in zijn kielzog zijn leerlingen, haalden de moderne kunst weer een beetje terug naar Europa. Men zegt ook wel eens dat Beuys het zelfbewustzijn onder de Duitse kunstenaars weer wist terug te brengen. Er stond een nieuwe generatie kunstenaars op zoals Baselitz, Penck, Lüpertz, Kiefer, Immendorf, die een weerstand ging bieden aan de over-kill van ‘internationale’ kunst of beter gezegd Amerikaanse kunst.
Deze naoorlogse kunstenaars worden tot het Neo-Expressionisme gerekend en zij namen op een bepaalde manier verantwoording voor het nazi-verleden. Soms door op een rauwe en expressieve manier soldatenhelmen, adelaars en ander typerende historische zaken uit de 20ste eeuwse geschiedenis te schilderen. Ook durfde men een ode te brengen aan de Teutoonse helden. Deze groep kunstenaars trof vanwege hun geboortejaar (vaak tijdens of na de oorlog) geen blaam. Zij durfden de Tweede Wereldoorlog in hun schilderijen als onderwerp te gebruiken, in een tijd waarin het fascisme voornamelijk werd verzwegen.
Anselm Kiefer (geb.1945), één van de schilders van deze groep en tevens leerling van Beuys, schildert of beter gezegd ‘fabriceert’ enorme dikke materie-schilderijen. Kiefer gebruikt vaak de term verschroeide aarde. Om een akelige sfeer bij zijn schilderijen op te roepen gebruikte hij vaak stro, as, klei en lood als materialen om zijn kunstwerken te maken.
In zijn werken toont Kiefer een soort haat-liefde verhouding met de Duitse geschiedenis.
Hij maakte bijvoorbeeld grote zwart-wit portretten van historische figuren uit de Duitse geschiedenis met in de titels de term 'HermannsSchlacht'; een verwijzing naar een Teutoonse oerheld uit de Duitse geschiedenis.
‘Malen ist krieg’ (schilderen is oorlog) blijkt Kiefer ooit gezegd te hebben.
Een kijkje in het atelier van Kiefer in Zuid Frankrijk, waar hij van 1991 tot en met 2008 werkte.
di
28
feb
2012
Eén van de meest invloedrijke naoorlogse kunstenaars in Europa is hoogst waarschijnlijk wel Joseph Beuys. Deze Duitse kunstenaar, die niet ver over de Nederlandse grens in het Duitse Krefeld is geboren in 1921 en opgroeide in Kleef, hield zich met vele disciplines van de kunst bezig, variërend van beeldhouwen, schilderen, tekenen en zogenaamde performances. Met name door deze laatste kunstvorm, waarmee hij vaak veel opzien baarde, werd Beuys een toonaangevende kunstenaar.
Het is vooral het verhaal dat hij vertelde over zijn belevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog dat opviel. Hij was als Duitse soldaat in dienst bij de Lufwaffe en tijdens een missie in 1943 werd zijn vliegtuig boven de Krim neergeschoten. Alhoewel Beuys het ongeluk overleefde raakt hij in coma en zou hij onder de wrakstukken bijna doodgevroren zijn. Zijn verhaal is dat hij werd gevonden door Tartaren, het nomadische ruitervolk dat in dit gebied leeft, en die smeerde Joseph in met vet en wikkelde hem in vilt om hem warm te houden. Deze actie heeft hem uiteindelijk het leven gered. Uiteindelijk ontwaakte Beuys later in een Duits veldhospitaal. Dit verhaal, dat eigenlijk een persoonlijk mythe is geworden, is bepalend geweest voor het leven en werk van Joseph Beuys. Voortdurend zie je vilt en vet in zijn kunstwerken terugkomen.
Vilt als persoonlijk kenmerk van Beuys zien we ook terug komen in de vilten hoed waarmee de kunstenaar in de naoorlogse jaren voortdurend verscheen. Op deze wijze was hij echt een markante persoonlijkheid. Nadat hij zelf eerst student was op de kunstacademie in Düsseldorf wordt hij in de jaren ’60 een toonaangevende ‘professor’ op dit instituut. Veel bekendheid kreeg Beuys door dat hij een belangrijk lid van de Fluxus-beweging werd. Vooral zijn zogenaamde ‘Aktionen’, het Duitse woord van performances waren een belangrijk onderdeel van zijn oeuvre. Zo liet hij zich ooit als ‘Aktion-kunstwerk’ opsluiten in een galerie met een coyote, een wilde prairiehond, en meende dat hem niets zo overkomen omdat hij ook sjamaan was.
Een bijzondere persoonlijkheid.
wo
22
feb
2012
Laatst was ik weer eens in het Amsterdam Museum, zoals het Amsterdams Historisch Museum tegenwoordig heet.
Het Amsterdam Museum is sinds 1975 gevestigd in de gebouwen van het voormalige Burgerweeshuis. De gevels, de poorten, de regentenkamer en de jongens- en meisjesbinnenplaats herinneren nog steeds aan het weeshuis. Het Burgerweeshuis werd omstreeks 1520 gesticht in een huis aan de Kalverstraat. In 1579 verhuisde het naar het voormalige St. Luciënklooster, dat op de plaats van het huidige museum stond. Het middeleeuwse St. Luciënklooster werd na de reformatie door het protestante stadsbestuur geconfisqueerd en kreeg een nieuwe functie als weeshuis. Toch treft u hier nergens oude middeleeuwse kloostergebouwen aan want die werden geleidelijk aan afgebroken en in de 17de eeuw vervangen door nieuwbouw. Sommige details doen nog herinneren aan de tijd dat het een weeshuis was, zoals een reliëfplaat met weesjongens uit 1581 boven de ingang aan de zijde van de Kalverstraat. In 1960 kreeg Aldo van Eyck (1918-1999) opdracht om een nieuw weeshuis te bouwen. Van Eyck bouwde een gebouwencomplex geïnspireerd op Afrikaanse volksarchitectuur zoals bijvoorbeeld de kashba’s te Mali. Er ontstond aan het IJsbaanpad (hoek Amsteleveenseweg) in Amsterdam-Zuid een cluster van gebouwen waarin de weeskinderen werden ondergebracht. Van Eyck verwierf met dit structuralistische project internationale bekendheid. Van 1960 tot 1991 was het complex als zodanig in gebruik en gelukkig werd het daarna van de sloperhamer gered. Hoewel het tegenwoordig een kantoorfunctie heeft kunnen we toch nog goed een beeld krijgen hoe de architectuur inclusief de vernieuwend ideeën van een gerenommeerde architect eruit zagen. Immers niet alleen de oude grachtenpanden zijn een deel van ons cultuurbezit, maar ook de veel recentere bouwkunst behoort daartoe.
ma
20
feb
2012
Anders dan je op het eerst gezicht zou denken zijn de schilderijen van de Romantische schilder Caspar David Friedrich niet alleen maar weergaven van mensen en landschappen. Er zit regelmatig een symbolische achtergrond achter. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het schilderij met de genaamd ‘Die Lebensstufen’ of ‘De Levensfasen’ uit 1835. De titel verraad eigenlijk al wat er achter het schilderij zou kunnen steken. Op het werk zien we een aantal zeilschepen die naar de kust komen varen en op het strand zien we een aantal mensen, die variëren in leeftijd. Hier is dus sprake van meer dan een weergave van een werkelijke situatie.
De eerste figuur op het schilderij die opvalt is een oudere man die leunt op een wandelstok. Hij is, zoals we wel vaker bij Friedrich’s schilderijen gewend zijn, met de rug naar de toeschouwer gekeerd. Deze eerste figuur lijkt wel het begin van een keten die via de andere mensen vervolgens in de schepen wordt voortgezet. Ook typisch Friedrich is het prachtige vergezicht met een door de ondergaande zon gekleurde horizon. De volgende figuur die opvalt, is een jongere man die zich naar de oude man heeft toegedraaid. Hij ziet er sjiek uit en heeft een hoge hoed op.
Vervolgens zien we twee spelende kinderen en een jonge vrouw die zich met deze kinderen bemoeit. De kinderen houden een Zweeds vlaggetje omhoog. Dit detail verraad de plek waar deze scène gesitueerd is, namelijk in Pommeren bij de Oostzee dat aan het begin van de 19de eeuw in Zweedse handen was. Daar van uitgaande zou er sprake kunnen zijn van de drie kinderen van Caspar David Friedrich namelijk Adolph, Agnes en Emma. Friedrich is dan de oude man waarvan we de rug zien en de jonge man met de hond zou zijn neef kunnen zijn.
Echter symbolisch staan de mensen voor de verschillende levensfasen, namelijk kind, adolescent, (jong) volwassen en bejaard. Elk schip is bedoeld voor één van de mensen die zich op het strand bevinden. Als je tijd daar is en ‘je zonsondergang breekt aan’ dan stap je op het schip dat je meeneemt naar een ander wereld. Het schip van de oude man is al bijna gearriveerd, echter de schepen van de kinderen bevinden zich nog ver aan de horizon en voor hen duurt het nog lang voor ze op kunnen stappen. Het schilderij past typisch in de Romantische tijd waarbij fantasie, gevoel, verbeelding en verlangen belangrijke elementen zijn.
wo
15
feb
2012
Hoe bejubelt en gewaardeerd de Romantische schilder Caspar David Friedrich (1774 – 1840) tijdens het begin van zijn carrière was, hoe tragische is het hoe zijn leven in vergetelheid eindigde.
Door ziekte en depressies ging hij aan het eind van zijn leven steeds teruggetrokkener leven en leek hij steeds meer een heremitische monnik die hij verschillende malen op zijn kunstwerken had uitgebeeld. Ondanks het feit dat Friedrich tijdens zijn leven enorm gewaardeerd werd, werd hij door het grote publiek als snel vergeten tot het eind van de 19de eeuw. Toen de Friedrichverzamelaar Georg Andreas Reimer in 1842 de schilderijen van Friedrich verkocht waren de prijzen die hij hier voor kreeg dramatisch laag.
Ook in de 20ste eeuw had het werk van Friedrich nog steeds geen grote belangstelling, maar er waren enige uitzonderingen. De surrealist Max Ernst had grote interesse voor Friedrich en andere schilders van de Romantische beweging. Het klinkt paradoxaal maar Ernst zag in zijn eigen werken overeenkomsten met werken van Caspar David Friedrich. Na de Tweede Wereldoorlog, om precies te zijn in 1959, organiseerde de Tate Gallery in Londen een overzichtstentoonstelling van de Romantische beweging en dit was de start voor de hernieuwde belangstelling voor het werk van Caspar David Friedrich.
Toen de Tate Gallery in 1972 nogmaals een grote overzichtstentoonstelling hield, die later ook in Dresden en Hamburg te zien was, was het hek van de dam en was er een eind gekomen aan de vergetelheid van Friedrich. Een enorm succes was, in de zomer van 2006, de grote overzichtstentoonstelling in het Folkwang Museum te Essen getiteld: "Caspar David Friedrich - Die Erfindung der Romantik". Er was een tachtigtal schilderijen en meer dan honderd tekeningen uit vele buitenlandse musea en particuliere collecties bijeengebracht.
Waarom is Caspar David Friedrich en zijn werk dan nu juist weer zo populair?
Heeft het met zijn verheerlijking van de natuur de maken en dat juist het moderne bewustzijn om de natuur en het milieu te beschermen? Of is er sinds de jaren ’60 van de twintigste eeuw een soort romantische levenswijze á la Friedrich waarbij er een afkeer is van het materiele en een hang naar mystiek is? Dan is Caspar David Friedrich een soort 18de eeuwse hippie. Of heeft men in deze hypermoderne samenleving weer behoefte aan nostalgie en verlangen naar een ver verleden of naar mysterieuze oorden?
Ikzelf waardeer Friedrich enorm en mijn favourite werk van hem is Der Wanderer über dem Nebelsee uit 1818.
di
14
feb
2012
Vandaag is het een bijzonder dag, want het is Valentijnsdag. Personen die elkaar lief vinden geven elkaar heden cadeautjes, bloemen of sturen elkaar kaarten. Soms doet men dat anoniem. Dat laatste heb ik persoonlijk nooit zo begrepen; is de liefde dan een raadspelletje? Valentijnsdag komt eigenlijk overgewaaid uit Amerika (het zal weer eens niet) en pas in de laatste 15 jaar is het een enorm (commercieel) succes in Nederland geworden.
Sint Valentinus leefde in de Romeinse Oudheid, rond het jaar 270 na Christus. Hij is als martelaar gestorven en we weten eigenlijk voor de rest niet zo veel van hem. Waarschijnlijk waren er zelfs twee heiligen met deze zelfde naam. De ene was priester in Rome en de andere was bisschop in de Umbrische stad Terni. Beiden waren ergens in de 3de eeuw na Christus aan de marteldood gestorven. Was hij dan toch één en dezelfde persoon?
Volgens één van de heiligenverhalen kwam een jong stelletje naar Valentijn toe met het verzoek om hen te trouwen, echter de man was een heidense soldaat en de vrouw was Christelijk. Valentijn trouwde het koppel toch, want hij vond de liefde zwaarder wegen dan de Romeinse wetten die dit huwelijk niet toestond. Vanaf dat moment kwamen er meer paartjes met dit verzoek naar Valentijn en hij werd hiervoor gearresteerd. Valentijn werd voorgeleid voor Keizer Claudius II en hij probeerde zelfs de keizer te bekeren tot het Christendom. De Keizer voelde zich hierdoor zo beledigd dat hij Valentijn liet onthoofden op 14 februari (ergens rond het jaar 270 na Chr.). Voordat het vonnis werd uitgevoerd wist hij nog een briefje aan de dochter van de gevangenisbewaarder te geven waar op stond: ‘Van je Valentijn’.
Valentijn blijkt tijdens zijn leven ook verschillende andere bijzondere handelingen te hebben verricht, waaronder de doop van de heilige Lucilla. De heilige Valentinus is schutspatroon voor de zieken die soms vallen ofwel mensen met epilepsie. Om welke rede hij beschermheilige is voor mensen met de ‘vallende ziekte’ is mij nog onduidelijk, ergens las ik dat het was omdat mensen in zijn naam het woordje ‘vallen’ terug hoorde komen, maar dat lijkt mij wel erg gemakkelijk.
De relieken van Sint Valentijn bevinden zich in de Sint Valentinusbasiliek van Terni.
We moeten de Valentijn van vandaag niet verwarren met één van de gelijknamige hoofdpersonen uit het blijspel ‘Two Gentlemen of Verona’ van William Shakespeare. Van dit toneelstuk uit de 16de eeuw heeft trouwens de preraphaelitische 19de eeuwse schilder William Holman Hunt een prachtig schilderij gemaakt.
De Heilige Valentijn is in 1969 van de Rooms-Katholieken Heiligenkalender verdwenen, dus het is geen christelijk feest meer en hij staat nu in de top tien van commerciële successen. Inmiddels belt de postbode bij mij aan met hele postzak met kaarten...
za
11
feb
2012
Laatst was ik weer eens in het Rijksmuseum. Tijdens mijn wandeling door het museum stond ik opeens oog in oog met de Vrolijke Drinker van de beroemde 17de eeuwse schilder Frans Hals. Een jolige, dronken man met een glas in zijn hand, met vlotte penseelstreek geschilderd. Echt een werk dat je direct grijpt en waarbij je je ook afvraagt wie deze geportreteerde man is.
Frans Hals was één van de belangrijkste en waarschijnlijk duurste portretschilders in de Gouden Eeuw. Als je in die tijd een belangrijke regent met geld en aanzien was ging je naar Haarlem om je te laten vereeuwigen bij Hals. Waarom schildert Frans Hals dan die zatte, vrolijke, jolige drinker? Ach, zei iemand ooit tegen mij, Frans Hals had gewoon even niets te doen en het leek hem wel leuk om een nutteloze en laveloze cafébezoeker te schilderen. Denkt u dat deze dure schilder dat soort vruchteloze arbeid zou verrichten?
Jaren geleden zag ik in de Staatliche Museen in Kassel een soortgelijk portret en dit keer had de hilarische figuur zelfs een naam. Hij heette volgens het naambordje in het museum Peeckelhaering. Deze man had een soort harlekijnspak aan. Hij had geen glas in zijn hand zoals de Vrolijke Drinker uit het Rijksmuseum, maar een tinnen beker waaruit in de 17de eeuw bier gedronken werd. Had Hals weer een balorige bui toen hij deze zatte man schilderde?
Ik was in eerste instantie verbaast dat hij ook nog een beschonken vrouw genaamd Malle Babbe gemaakt had. Ze was trouwens helemaal niet blond, zoals Rob de Nijs ooit zong. Toen ik haar zag hangen in de Gemäldegalerie in Berlijn viel me ook de uil op haar schouder op. Symbolisch stond deze vogel dit keer niet voor wijsheid maar juist voor dwaasheid, want vogels, net als mensen, die 's nachts leven en overdag slapen zijn niet helemaal goed snik.
Wie had er nou zo veel geld voor over om zich op deze manier te laten schilderen? De geportretteerden wilden schijnbaar bewust er precies op deze manier uitzien en hadden daar best wel geld voor over. Wie wilde er dan als een soort nar uitgebeeld worden? Mij schoten op eens de kluchten van de toneelschrijver Bredero te binnen.
Bredero maakte in onze gloriedagen kluchten en blijspelen. De acteurs bij deze vrolijke toneelstukken waren grote bekenden in de 17de eeuw in Nederland. Echter men kende hen alleen in hun rol en waarschijnlijk niet in cognito, dus de komedianten als Peekelhaering en Malle Babbe lieten zich bewust en waarschijnlijk voor een aardig bedrag door Frans Hals als ‘personality' vereeuwigen. Nu weten we helaas niet meer wie deze acteurs waren. Je zou de geportretteerden eigenlijk met toneelfiguren uit onze tijd zoals John Lanting of Carry Tefsen alias Mien Dobbelsteen kunnen vergelijken. Op deze manier kijk ik toch weer heel anders naar de ‘Vrolijke Drinker'; Proost!
vr
03
feb
2012
Duitsland heeft de afgelopen decennia een aantal belangrijke beeldhouwers voortgebracht. De eerste kunstenaar die ik wil noemen is Ulrich Rückriem (geb. 1938). Hij begon zijn carrière als steenhouwer bij de restauratie van de dom in Keulen. Dit ‘ambachtelijke’ steenhouwen is zeer kenmerkend te zien in zijn monumentale imposante sculpturen die zeer opvallend zijn. Hij maakt met name grote abstracte sculpturen van graniet waarbij hij gebruik maakt van explosieven of grote zagen.
Het resultaat van zijn manier van werken is dat je uiteindelijk in het definitieve kunstwerk duidelijk de grondvorm van de originele steen blijft zien en ook de sporen van het werkproces, zoals bijvoorbeeld de gaten waar de explosieven zaten en de zaagranden. Door deze op ‘Minimal Art’ lijkende manier van werken kun je vrij snel zien dat je met een werk van Rückriem van doen hebt. Zijn sculpturen passen trouwens perfect in de openbare ruimten en zij sieren verschillende parken en tuinen in Duitsland en ook in andere landen op. Zo zijn voor sommigen van u redelijk dicht bij huis twee beelden van hem te vinden, in het Amsterdamse Bos.
Sinds 1984 is Rückriem professor aan de Kunstakademie Düsseldorf en past hier in een rij van beroemde andere naoorlogse kunstenaars zoals Beuys en Immendorf.
Een jongere collega van Ruckiem is Thomas Schütte. Alhoewel Schütte een veelzijdig kunstenaar is, zijn met name zijn sculpturen het meest herkenbaar. Hij maakt grote figuren die nog het meest doen denken aan Michelin-mannetjes of science-fictionachtige wezens die net uit een ruimteschip zijn gestapt. Deze typerende sculpturen noemt Schütte ‘Grosse Geister’. Deze titel kun je op twee manieren vanuit het Duits in het Nederlands vertalen namelijk als ‘Grote Geesten’ of als ‘Grote Denkers’.
In verschillende Duitse musea heb ik de ‘Grosse Geister’ van Schütte afgetroffen, maar ook voor Schütte geldt dat ze buiten Duitsland aan te treffen zijn. Zo heeft het museum De Pont in Tilburg drie van dergelijke beelden. Deze beelden in Tilburg zijn van gepolijst aluminium. Regelmatig voert hij ze ook uit in cortenstaal, wat de sculpturen de kenmerkend bruine roestkleur geeft. Van zo’n laatste genoemde versie is een voorbeeld te zien in het Utrechtse Grifpark.
Rückriem en Schütte, twee bijzondere Duitse kunstenaars.
do
02
feb
2012
Tijdens het hardlopen deze morgen moest ik denken aan allerlei gebeurtenissen die plaats vinden in mijn leven. Soms lijkt het wel of toeval niet bestaat en alles met een reden gebeurt. Dit is overiges het uitgangspunt van het beroemde boek ‘De Ontdekking van de Hemel’ van Harry Mulisch. Regelmatig heb ik in de afgelopen jaren over deze roman van onze vermaarde auteur verteld en ik stond stil bij de verschillende kunstwerken die hem hebben geïnspireerd tot deze gewaardeerde bestseller.
Kunstwerken zoals een 15de eeuws paneel getiteld ‘Het Arnolfini Huwelijksportret’ van de schilder Jan van Eyck tot de Reichstag in Berlijn komen in het boek ter sprake. Vooral de gravures van de Italiaanse kunstenaar Piranesi komen ruim aan bod in het boek; de kerkerachtige ruimtes staan model voor de hemel. En dan niet te vergeten de grote rol die de stad Rome speelt in de roman van Mulisch. Verschillende kunsthistorische hoogtepunten uit de ‘Eeuwige Stad’ worden belicht zoals het Pantheon, de boog van Titus en de beroemde sculptuur ‘Mozes’ van Michelangelo.
De Romeinse oudheid heeft mij, net als Mulisch, altijd enorm geboeid. Hoe was het mogelijk dat men 2000 jaar geleden zo'n enorm gebouw als het Patheon kon bouwen? Vooral de koepel is een staaltje vakmanschap. En daar zelfs een groot rond gat in te maken? Juist waar alle krachten van de koepel bouwtechnisch bij elkaar komen zit een grote ronde opening en daar komt een brede bundel van zonlicht naar binnen. Op verschillende momenten van de dag staat een ander altaar in ‘de schijnwerpers’. Op die plekken stonden ooit heidense godenbeelden van onder andere Jupiter, Venus en Apollo die in het ‘zonnetje’ werden gezet.
Hier in dit Pantheon ontmoet de hoofdpersoon Quinten trouwens zijn vader, dit als belangrijk detail voor de kenners van ‘De Ontdekking van de Hemel’. Ook de genoemde boog van Titus mag eigenlijk in mijn column vandaag niet onbesproken blijven; echter dat zou weer een heel nieuw verhaal worden. Slechts als tipje van de sluier noem ik de twee reliëfplaten aan de binnenzijde van deze triomfboog, waar volgens het besproken boek van Mulisch de oplossing voor de vraag waar de twee stenen tafelen met de tien geboden zijn. In ieder geval zijn ‘Tien Geboden’ door Michelangelo uitgebeeld op een beeld van Mozes in een nabij gelegen kerk. Rome is zoals u kunt lezen, zeker een reis waard! Wellicht ga ik binnenkort weer eens met een klein gezelschap de prachtige, beroemde kunsthistorische hoogtepunten van deze bijzondere stad bekijken.
'Keek op de Week' over De Ontdekking van de Hemel en Harry Mulisch.
wo
01
feb
2012
In het tweede jaar van mijn studie kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit was het verplicht om enige weken op excursie te gaan naar een stad met enorm veel kunstschatten. Ik mocht een stad kiezen en ik koos voor Rome. Ik was 21 jaar, had nog niet zo veel reiservaring en had zelfs nog nooit gevlogen. Alhoewel het al half mei was, was het weer in Amsterdam fris en druilerig. Een vliegreis die voor mijn gevoel kort duurde bracht me met enkele medestudenten naar de luchthaven van de Eeuwige stad. Het vliegveld aldaar heette officieel ‘Leonardo da Vinci’ en dus op de luchthaven begon het al, je werd direct geconfronteerd met de grote namen uit de kunstgeschiedenis.
Het weer in Rome was aangenaam, zo niet paradijselijk. Ons hotel lag in het historische centrum om de hoek bij het schilderachtige plein ‘Campo dei Fiori’. We bezochten vele kunstschatten, die voor mij allemaal zeer indrukwekkend waren. Natuurlijk schoten bepaalde bezienswaardigheden eruit, zoals het Pantheon, het gebouw uit de Romeinse Oudheid dat er al bijna tweeduizend jaar stond. Het was imponerend, niet alleen vanwege de ouderdom maar ook vanwege de bouwkunst; het is een bouwwerk zonder ramen, met een platte koepel en een gat in het plafond! Door dat gat kwam een bundel zonlicht als een soort schijnwerper naar binnen. Ik stond er meer dan een uur naar te staren. Hoe had men dit zo lang geleden kunnen bouwen?
Ook de Sixtijnse Kapel met het beroemde plafond van Michelangelo was tijdloos en fenomenaal. Ik moet, al kijkend, op die plek uren vertoefd hebben. Wat een hoogtepunt uit de kunstgeschiedenis was dit. Op een gegeven moment, tijdens mijn verblijf in Rome, kon ik niet meer slapen, ik had geen trek meer en ik had zelf een raar gevoel in mijn buik. Was ik verliefd? Op Rome?
Jaren later begreep ik waar ik, in bescheiden mate, last van gehad moet hebben: Het was waarschijnlijk een (tijdelijke) aanval van het syndroom van Stendhal. Stendhal was het pseudoniem van de Franse schrijver Henri Beyle. Hij had de bijnaam Stendhal ontleend aan de Duitse stad Stendhal, dat de geboorteplaats was van Johann Joachim Winckelmann (op deze man kom ik nog een keer terug), die hij zeer bewonderde. Stendhal had een tijd lang in die stad verbleven als soldaat van Napoleon. Tijdens een bezoek in 1817 aan Florence werd Stendhal zeer emotioneel aangegrepen door de kunst en de schoonheid van de Italiaanse stad. Stendhal heeft deze situatie gedetailleerd beschreven; door de overrompeling van de kunst kreeg hij lichamelijke verschijnselen als een versnelde hartslag, duizeligheid, verwarring en flauwvallen. Later werd dit verschijnsel het Syndroom van Stendhal genoemd. Had ik hier uiteindelijk in mindere mate last van gehad toen ik tijdens mijn studie in Rome was? Als dit het geval is geweest, dan heb ik deze ‘tijdelijke ziekte’ goed doorstaan. Ik waarschuw mensen trouwens wel altijd kunst met mate te bewonderen, want stel je voor…..